Wednesday, September 26, 2012

Mondigheid: De Reformatie Van Het Neocalvinistische Denken

Klaas Schilder schreef 10 juni 1950 in De Reformatie:
'Hoe ontelbare malen slaagt de duivel erin, de gelovigen ertoe te verleiden, dat zij van plichten en rechten van de voor hen met Middelaarsbloed verworven staat der mondigheid zich doodkalm ontdoen, en zichzelf en alle anderen gaan bejegenen en laten bejegenen alsof ze nog onmondigen zijn.'
Het zou een misverstand zijn om te denken dat dit 'thema' bij Schilder pas om de hoek kwam kijken in de jaren voorafgaand en de vrijmaking. Zo schreef hij in 1919 in het boek 'Wat is de hel?' over de mondige mens:
'Dat hij van betalen spreekt: ’t is hard; maar de bijbel houdt vast aan uw adeldom, die eens verplicht u heeft. Wie moeten betalen? Wie? Geen onnoozelen, geen idioten, geen krankzinnigen, geen onmondigen. Maar betalen — dat laat men mondige menschen doen, met een verantwoordelijke positie, met rechtspersoonlijkheid! Zoo eert u de bijbel! Kunt ge ’t hem euvel duiden? Wie slaat hooger u aan, Hume, de scepticus, die u, o mensch, een veel te zwak schepsel vond 116), dan dat een misdrijf van hem zùlk een straf zou verdienen, — òf de bijbel, die u een sterke noemt en een tot eeuwigheid uit den Eeuwige geborene?'
En mondigheid was bijvoorbeeld het thema van zijn intreepreek in Delft in 1922:
'Daarom moet ge ook nooit in de kerk komen om het gemakkelijk te hebben. Gij moet niet uw prediker beschouwen gelijk Israël Mozes deed: voor hem de zwarigheid, de ontzetting, de verbazing - voor u 't resultaat der bezigheid Gods als ‘gesneden koek’. Gods spijze moet immer zwaar te verteren zijn. Een volk, dat zijn Mozessen laat zwoegen met Gods ontzaglijkheid en zelf naar gemakkelijke houding staat, verwerpt God, die spreekt en openbaart zijn blode zelfzucht in liefdeloosheid. Ze moeten 't elkaar niet gemakkelijk maken: prediker en gemeente. Wij moeten niet Gods Woord willen ontvangen als in den slaap. Wij moeten niet tot God klagen, dat Hij ons meer geeft dan wij verdragen kunnen. Wie zijt gij, die Zijn openbaring beticht van onverstand aangaande uw bevattingsmogelijkheid ?'
 In dat zelfde, eerder genoemde, artikel van juni 1950 schrijft hij vervolgens:
'Paulus heeft, welbeschouwd, dáártegen, dat wil zeggen tegen deze grove zonde, waarin het door Christus verworvene het door christenen verworpene wordt, zijn ‘Galatenbrief’ geslingerd; maar deze brief behoort dan ook tot die geschriften, die de kerk wel graag uitpluist in exegetische détailpunten (Hagar, Sara, Hagar, Sinai, Jeruzalem beneden, Jeruzalem boven), doch die zij in de grote lijnen koppig verwaarloost. Juist op het punt van die verkregen mondigheid als staat-in-rechten. O, gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd? Ik denk, dat Luther daar erg vaak over nagedacht heeft, de man, die vóór de honderdduizenden streed, toen hij weigerde een onschriftuurlijke binding te aanvaarden, en door hen niet begrepen en verloochend werd. Juist over die brief aan de Galatiërs schreef hij zijn misschien wel beste werk.' 
Een passage die direct doet denken aan datgene wat M. van der Berg schrijft in zijn boek De Gekerkerde Kerk. We raken hier het hart van de gereformeerde theologie en antirevolutionaire politiek. En wanneer we in Schilder's bekende boek Christus in Zijn lijden lezen over 'de dag der kleine geluiden' staat dit vanzelfsprekend rechtstreeks in verband met deze mondigheid:
'En zou voor Jezus te gering zijn, wat niet voor God te nietig is? In naam van het derde gebod der wet van Sinaï - veracht den dag der kleine geluiden niet!'
Wanneer in 1948 het Amersfoorts Congres de 'theologisch-wetenschappelijke gedachtenconstructies' zoals de leer van de 'gemene gratie' de 'soevereiniteit in eigen kring' en dergelijke voorstellingen 'die zich wezenlijk van Schrift en belijdenis verwijderen' afwijst dan doet zij dat met een verwijzing naar 'de reformatie van het neocalvinistische denken'. Deze 'reformatie van het neocalvinistische denken' is de mondigheid zoals hierboven door Schilder beschreven.

Dit GPV congres in 1948 werd voorgezeten door Albertus Zijlstra die in 1948 het (volgens Verburgh (1956) onleesbare) boek Tenzij schreef. Albertus Zijlstra was een onderwijzer uit Zuidhorn die in 1901 door Abraham Kuyper als redacteur van de Standaard was aangetrokken. Hoewel nooit officieel hoofdredacteur gaf hij van 1901 tot 1940 leiding aan De Standaard. Albertus Zijlstra kwam vervolgens dankzij invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 voor de ARP in de Tweede Kamer, waar hij onderwijswoordvoerder werd.

Albertus Zijlstra symboliseert de door Abraham Kuyper gehanteerde strategie die na het sociaal congres van 1891 tot de 'herenmuiterij' van De Savornin Lohman c.s. leidde. Dankzij deze strategie behoorde Albertus Zijlstra tussen 1901 en 1940 tot de leiding van de Antirevolutionaire beweging.

De scheuring van 1944 betekende afscheid van de door Kuyper met succes gehanteerde strategie. Laten we daarom nog één keer luisteren naar de manier waarop Schilder deze mondigheid verwoordt in de preek het gezag dat God onder de mensen stelt uit 1937:
'Maar tegelijk zegt God, dat Hij mijn Vader wil zijn, dat Hij geen rijken kent boven armen, dat Hij rijken ledig wegzendt en armen met goederen vol maakt. En die vrijheid heb ik niet alleen in de kerk, maar ook in het dagelijkse leven. Ik heb het recht van opstand tegen de macht, die God weerstaat en mij dwingen zou, het ook te doen. Zo komt Calvijn met de prediking van de volstrekte souvereiniteit in Christus Jezus in genade mij toegekeerd, tot de wereld en zegt: Waar zijn ze, de vrije burgers? Hun grondwet houden ze den koning voor en zeggen: Regeer ons, maar bij de gratie Gods, Ze komen aan, door goddelijk licht geleid, om te leven in vrijheid als beste burgers in het aardse vaderland, omdat ze in de eerste plaats geworden zijn kinderen van het hemelse vaderland.'

No comments: