Monday, March 26, 2012

Troost: Het Dilemma Van Schilder

Terecht wijst Koert van Bekkum dit weekend naar aanleiding van het overlijden (zestig jaar geleden) van de zoon van een sigarenmaker uit het toenmalig Havanna aan de IJssel op de "verbouwing" van Schilder's (denk-en schrijf)werk door Jochem Douma:
"Schilders nazaten pasten een heel aantal elementen uit zijn theologie aan. Dat begon in 1966 met de kritiek van J. Douma op Schilders wel heel sterke parallellie tussen verkiezing en verwerping. Douma had daarmee een belangrijk structurerend element in Schilders theologie te pakken. Wie hier iets aanpast, kan er niet omheen ook andere elementen te verbouwen. Dat is dan ook precies wat er vervolgens gebeurde. Schilders existentialistisch gekleurde nadruk op de concrete keuze en op absolute gehoorzaamheid werd gerelativeerd."
In de jaren zestig en zeventig werd er door Jochem Douma steeds de indruk gewekt dat hij hoeder van Klaas Schilder's theologische erfenis was, niets is minder waar. Zijn kritiek op Ds. Gerrit Visee met betrekking tot de betekenis van de Wet kwam rechtstreeks voort uit de bovengenoemde "verbouwing" van Klaas Schilder's werk. Ds. Wierenga schreef onlangs een boekje "Zondag geen geboden rustdag meer?" dat opnieuw duidelijk maakt dat Douma nooit de volledige vrijgemaakte mini-zuil achter zich heeft weten te krijgen, zoals ten onrechte vaak gesuggereerd wordt. Ds Gerrit Visee, Synode voorzitter in 1951, was in zijn artikelen, boeken en preken niet zozeer een scherpslijper met boter op het hoofd, zoals Ad de Boer onlangs stelde in Opbouw, alswel een traditioneel voorbeeld van de manier waarop Schilder's studenten (hoewel Visee aan de VU studeerde) de bijbel uitleggen: niet-speculatief. (lees ook eens Opmerkingen van H. Smit naar aanleiding van Berkouwer's een halve eeuw theologie)

Ook wordt er in het artikel van Koert van Bekkum gesteld:
"Wie in zijn boek De Openbaring van Johannes en het sociale leven de sociale kwestie vervangt door de klimaatproblematiek, de eurocrisis en de blijvende armoede in de Derde Wereld, heeft iets om over na te denken en wordt tegelijk getroost"
Let op dat woord "Troost", we zijn daarmee namelijk aangekomen bij het centrale dilemma in Schilder's werk, wat goed tot uiting komt in volgende Schilder quote uit De Openbaring van Johannes en het sociale leven net na het door van Bekkum geparafraseerde:
"Overschat niet het belang der sociale kwestie.
Maar onderschatting - neen, ook dat is niet de leuze der Openbaring. De weg naar de eeuwigheid loopt nu eenmaal dwars door den tijd. Ja, de eeuwigheid snijdt elk oogenblik den tijd en alles, wat hem beweegt. En daarom is hetgeen den tijd beroert, van precies even groot belang, als alles, wat achter den tijd ligt en eens in den dag der eeuwigheid ontsluierd wordt."
Daarom is de centrale vraag die Schilder zichzelf en ons stelt, het dillemma dat hij steeds voor ogen heeft, in zijn commentaar op de Heidelbergsche Catechismus deze:
"Kan het, mag het? Kan het goed zijn: alles zetten in het raam van den troost? Is het mogelijk, zonder antropocentrisch te worden?"
Het spanningsveld dat zich manifesteerde in de gereformeerde zuil (en daarbuiten) sinds de democratiseringsbeweging aan het eind van de 19de en begin 20ste eeuw tussen charismatisch en technocratisch leiderschap verklaart zowel Schilder's radikale afwijzing van rangen en standen als zijn felle strijd tegen populisme van allerlei gading:
"Daarom moet ge ook nooit in de kerk komen om het gemakkelijk te hebben. Gij moet niet uw prediker beschouwen gelijk Israël Mozes deed: voor hem de zwarigheid, de ontzetting, de verbazing - voor u 't resultaat der bezigheid Gods als ‘gesneden koek’. Gods spijze moet immer zwaar te verteren zijn. Een volk, dat zijn Mozessen laat zwoegen met Gods ontzaglijkheid en zelf naar gemakkelijke houding staat, verwerpt God, die spreekt en openbaart zijn blode zelfzucht in liefdeloosheid. Ze moeten 't elkaar niet gemakkelijk maken: prediker en gemeente. Wij moeten niet Gods Woord willen ontvangen als in den slaap. Wij moeten niet tot God klagen, dat Hij ons meer geeft dan wij verdragen kunnen. Wie zijt gij, die Zijn openbaring beticht van onverstand aangaande uw bevattingsmogelijkheid ?"
In tegenstelling tot wat P. Veldhuizen in zijn proefschrift "God en mens onderweg - hoofdmomenten uit de theologische geschiedbeschouwing van Klaas Schilder" beweert, ging Klaas Schilder's hart uit naar noch supralapsarism, noch infralapsarisme. Een essentieel punt dat rechtstreeks in verband staat met Schilder's centrale vraagstelling:
"Maar waar ik zelf noch supra- noch infralapsarist wil wezen, geloof ik, dat zoowel Gods gezindheid jegens de personen van den aanvang af bepaald is door zijn besluit, ten hunnen opzichte genomen, als ook dat God een positief behagen heeft in zijn werken."
Ewout Klei verwijst naar ditzelfde spanningsveld in Klaas Schilder's verbondsleer wanneer hij schrijft:
"Schilder gaf het primaat van de liefde in de verbondsleer op. Hij was hierin consequenter dan Johannes Calvijn, die geleerd had dat de belofte in het verbond meer gewicht heeft dan de eis. Bij Schilder stond de eis centraal."
Op basis van Schilder's College dictaat "Het Verbond in de Gereformeerde symbolen" lijkt me dit niet waarschijnlijk. Daar stelt Schilder namelijk:
"Het is betekenisvol voor de constructie van Olevianus, dat hij het verbond een eed noemt. Enerzijds noemt hij het een ‘mutua conventio’ anderzijds een eed Gods. De eed gaat voorop, de belofte is primair, omdat het verbond in de eerste plaats is een kwestie van het spreken Gods, van het Woord Gods."
Natuurlijk laat Schilder daar direkt op volgen:
"Bij Olevianus is het verbond een eed, een promissio, het is altijd een zaak van Gods spreken; belofte en eis zijn woorden Gods. Als de twee delen van het verbond, zijn ze dus een dubbel woord Gods."
Dit houdt natuurlijk rechtstreeks verband met de centrale vraagstelling en dat blijkt ook als hij toevoegt:
"Later kwam in samenhang hiermee het vraagpunt naar voren, wat in de prediking het uitgangspunt moet zijn, wat domineren moet, het verbond of de verkiezing. O.i. moet het verbond domineren, wijl het verbond het woord Gods bevat, of eigenlijk is, voorzover het van Hem komt, en daarom moet het verbond ook leiden en niet verkiezing. De verkiezing is verborgen naar graad en omvang etc. We moeten uitgaan van hetgeen geopenbaard is. Door de openbaring krijgen we pas zekerheid van de verkiezing."
De prediking:
"van Gods genade (plus van zijn toorn), de verkondiging van zijn deugden (liefde èn gerechtigheid), de stipulatie met de bondskerk (eisch èn belofte). Die is altijd, behalvemiddel’ ter bereiking van wat straks als uitkomst zal gezien worden, ook een doel-in-zichzelf, een schoone verbreiding van Gods Naam, een uitstraling van zijn heerlijkheid, een prolongatie van zijn ochtend-stonds-werk in Genesis 1: de verantwoordelijk-stelling van den mensch. Hij stelde hen dadelijk verantwoordelijk door Woord en dóór verbondsstipulatie. Die is in het drama der geschiedenis niet maar een haast-middeltje, om straks weg te werpen, zooals men het beschermend omhulsel van een goeie Amerikaansche sigaar wegwerpt, zoodra men ze opsteekt."
Een preek van C.H. Lindeboom uit 1957 over het het gebod van het gebed lijkt me een goed voorbeeld van waar Schilder hier op doelt.

Van Bekkum's uitspraak "Hij zet daarom alles op de kaart van de kerk" was misschien ongelukkig, maar al met al werd er deze week een eerlijke poging gedaan Schilder's werk op een evenwichtige manier te bespreken. Gelukkig zijn we lichtjaren verwijderd van sprookjes (horror stories?)  zoals J. Stellingwerf, aanhanger van Dooyeweerd en vooral Vollenhoven die na vrijgemaakt te zijn geweest na scheuring van 67 terugkeerde naar de synodaal gereformeerde kerk, (in 2011 publiceerde deze meneer de ”Geschiedenis van de reformatorische wijs­begeerte”) die in 1996 in Philosophia Reformata durfde op te schrijven:
"Schilder heeft de theologie nooit van buiten kritisch bekeken en ook de auteur blijft binnen de theologische problematiek. Er is geen wijsgerige of geschiedkundige en helemaal geen natuurhistorische of kosmologonische vraagstelling. Andere onderwerpen zoals literatuur en de evolutie, bekeek Schilder als theoloog. De paradox bezag hij begripmatig. Bij Schilder ben je, onder een hoge sterrenhemel, toch steeds in de kerkpolder met een beperkte, of in het kerkschip met een woelige maar op een paar andere kerkschepen na, vrijwel lege horizon"
We weten nu in ieder geval waar Wim Berkelaar zijn "wijsheid" vandaan heeft.

No comments: